Tag Archives: taalkunde

Oscar Strik

Fryske en Sweedske tiidwurdbûging – Oscar Strik oer syn dissertaasje

Dyn proefskrift hjit ‘Modelling analogical change. A History of Swedish and Frisian Verb Inflection’. Kinst wat fertelle oer dyn akademyske eftergrûn?

Tijdens mijn studie Scandinavistiek aan de Universiteit van Amsterdam heb ik Fries als minor gekozen. Ik ging niet naar Noorwegen, maar koos ervoor om in Amsterdam mijn kennis van de (geschiedenis van de) Germaanse talen te verbreden. Een beetje Duits en Nederlands, en een minor Fries dus. Ook in mijn master Linguistics heb ik nog Oudfries gevolgd. Ik ben dus niet helemaal zonder voorkennis aan mijn onderzoek begonnen.

Hoe goed is dyn Frysk; yn hoefier wie it in beheining by dyn ûndersyk, of wie it foaral in aardige útdaging?

Mijn beheersing van het Fries is vrij passief; ik kan het goed lezen en verstaan, het Fryske Akademy-Fries althans, maar spreken doe ik het niet echt. In de praktijk is dat geen probleem. Mensen die me kennen weten over het algemeen dat ze Fries tegen me kunnen praten, maar dat ik dan in het Nederlands antwoordt, en dat gaat vrij goed.

Wêrom hast derfoar keazen om it Sweedsk te ferlykjen mei it Frysk?

Naast het feit dat ik beide talen redelijk goed ken uit mijn studietijd zijn ze interessant omdat de Scandinavische talen en het Fries de enige Germaanse talen zijn waar nog meerdere klassen zwakke werkwoorden te vinden zijn.

Dyn dissertaasje draait om de ferbûging fan tiidwurden yn de taalskiednis fan it Sweedsk en it Frysk. Kinst yn it koart útlizze watst dêroan ûndersocht hast?

In de Germaanse talen zijn er grofweg twee manieren om de verleden tijd van een werkwoord te maken: zwak (wurkjewurke) en sterk (skriuweskreau). Het verandert alleen door de eeuwen heen hoe individuele werkwoorden zich gedragen. Sterke werkwoorden hebben over het algemeen de neiging om op termijn zwak te worden, maar dat gebeurt niet in iedere Germaanse taal even snel, en veranderingen in de tegenovergestelde richting komen toch ook vaker voor dan meestal wordt aangenomen. Het Friese merke was bijvoorbeeld ooit zwak, en is dat in het Nederlands natuurlijk nog steeds.

Do hast it yn dyn dissertaasje gauris oer it belang fan analogywurking yn de ferbûging fan tiidwurden. Hoe sit dat?

Analogie is belangrijk omdat het de beste manier is om te verklaren in welke werkwoordsklasse een werkwoord ‘thuishoort’. Werkwoorden hebben de neiging om op dezelfde manier vervoegd te worden als werkwoorden die er qua klank op lijken. Zo hebben praktisch alle werkwoorden die in het Fries op –iuwe eindigen een verleden tijd met –eau. Soms is er echter concurrentie, meestal als een werkwoord niet helemaal goed in een patroon past; dan is de neiging om een zwakke verbuiging te gebruiken vaak wat groter. In de praktijk is het beeld soms vrij troebel, maar ik ben er wel van overtuigd dat analogie over het algemeen een belangrijke rol speelt. Bovendien zijn er momenteel niet echt goede alternatieve modellen die alle veranderingen kunnen beter kunnen verklaren.

Hast opfallende ferskillen tusken it Sweeds en it Frysk ûntdekt wat de tiidwurdbûging oangiet?

De verschillen vallen op zich wel mee. Het is meer zo dat individuele werkwoorden soms in een verschillende richting zijn gegaan in de twee talen, maar in grote lijnen zijn de verschillen niet zo groot. In het Zweeds is läsa bijvoorbeeld inmiddels een zwak werkwoord geworden, terwijl het Friese lêze nog steeds sterk wordt vervoegd. Daarentegen is het in beide talen zo dat er in tegenstelling tot de middeleeuwse stadia van de talen nog maar twee à drie belangrijke sterke werkwoordklassen over zijn gebleven.

Bist ferslingere rekke oan it Frysk no’tst dy taal sa yntinsyf bestudearre hast, of kinst gjin –je-tiidwurden, trijelûden en aksinten mear sjen?

Het zit er een beetje tussenin, denk ik. Ik werk graag aan het Fries, maar ben niet het type dat verliefd kan worden op één bepaalde taal. In de toekomst zal ik nog wel eens wat publiceren over het Fries, maar het is niet zo dat ik een diehard Frisist ben geworden. Maar ik ben er ook niet op afgeknapt, en ik kom heel graag in Leeuwarden op congressen. De Frisistiek is natuurlijk een klein wereldje, en dat betekent — in mijn ervaring — een warme ontvangst.

Hiest wolris skjin dyn nocht fan it ûndersyk, en wat diest dan om dêr oerhinne te kommen?

Af en toe wel, ja. Niet zozeer het onderwerp, maar meer de perspectieven van het academische leven. Veel tijdelijke en deeltijdscontracten en onzekerheid over de toekomst, alhoewel ik nu voor de komende paar jaar gelukkig goed zit. Wat bij mij meestal goed helpt zijn hobby’s: muziek, lezen schrijven, games. En goed gezelschap.

It foel my op datst yn dyn stellingen in sitaat fan Carl Sagan syn ‘Pale Blue Dot’ brûkt hast en de kwoot “It’s nice to be important, but it’s more important to be nice”. Wêrom hast dy stellingen opnommen?

Ze drukken allebei op hun eigen manier iets uit over bescheidenheid. Ik denk dat het goed is als we regelmatig stilstaan bij onze plaats in een groter geheel, de drijfveren van het ego kunnen relativeren, en proberen de wensen van anderen in acht te nemen. Of ik daar zelf in slaag durf ik niet te zeggen; ik hoop dat anderen me daarop aanspreken.

Bist no promovearre. Wêr bist op dit stuit mei dwaandeen wat binne dyn karriêrewinsken foar de kommende jierren?

Momenteel werk ik op een post-doc-project aan de Universiteit Antwerpen, over nieuwe grammaticale constructies en sociale netwerken in 17e-eeuws Engels. Even iets anders dan de afgelopen jaren dus, maar dat vind ik wel fijn. Ik ben een beetje van de brede interesse.