Er viel

Er viel genoeg te beleven…

Recensie: Douwe Keizer, Er viel genoeg te beleven. Dwarse verhalen uit een tijd vol regelzucht (Friese Pers Boekerij, 2015).

Door de ondertitel wordt de verwachting gewekt dat Douwe Keizer (1940-) een tijdsbeeld schetst aan de hand van een serie anekdotes. Gedurende het verhaal blijkt al snel dat anekdotes de boventoon voeren en dat de lezer zelf op zoek moet naar een rode draad. Hoewel het gebrek aan synthese op sommige momenten ergernis wekt, is het nog altijd een plezierig boek om te lezen. Keizer heeft door zijn carrière bij de Kamer van Koophandel, de Friesland Bank en verschillende nevenfuncties zoals het vicevoorzitterschap van voetbalclub SC Cambuur meer dan genoeg verhalen om een boek te vullen.

Een aantal recensenten dook op de smeuïge details over zijn relatie met Jan Kuperus, die hij in 1988 opvolgde als directeur van de Friesland Bank.[1] Keizer beschrijft dat de verhoudingen tussen de twee verslechterden door de verspilzucht en grootsheidswaanzin van Kuperus. Zo beweert Keizer dat zijn voorganger maar liefst twintig miljoen gulden spendeerde aan een groot jubileumfeest ter ere van het 75- jarig bestaan van de bank. Ook ging de machtsoverdracht tussen beide bestuurders, die enkele jaren in beslag nam, moeizamer dan op voorhand verwacht. Keizer is in dit soort conflicten bijzonder mild over zijn eigen inbreng; hem kan verweten worden dat hij het boek gebruikt om elke blaam van zich af te schrijven.

Hoewel zijn aversie jegens de cultuur in de bancaire sector ongetwijfeld sympathie zal opwekken bij de gemiddelde lezer, ben ik van mening dat de essentie van het boek elders ligt. Boeiender om te doorgronden is het schipperen van Keizer tussen zijn afkeer van de gesloten en bekrompen Friese elite en zijn bezorgdheid dat het perifere Friesland door buitenstaanders wordt overheerst. Zijn tirade over de lethargische houding van Kuperus, die noodzakelijke automatiseringsprocessen negeerde, wordt afgewisseld met stevige kritiek op graaiende westerlingen die trachten Friese ondernemingen de ziel te ontnemen. Deze afkeer van Randstedelijke arrogantie komt het best naar voren in zijn oordeel over E.K Abbing, die tussen 1977 en 1986 directeur was van de Friese Pers. Hij zegt over hem:

‘Dat laatdunkend gepraat hoorde je vaker van figuren die uit de Randstad kwamen. Zelfverheffing door je omgeving te kleineren. Dat zou men in Friesland niet moeten pikken. Maar een bepaalde categorie Friezen –meestal uit hogere kringen- keek zo’n westerling naar de ogen en viel hem zelfs bij!’[2]

Doordat Keizer geenszins terughoudend is in zijn oordeel over het handelen van bestuurders en ondernemers, schetst hij impliciet een beeld van de leiderschapskwaliteiten die Friesland nodig heeft. Dat die kwaliteiten in zijn eigen handelen besloten liggen, blijft voor de lezer net zo min verborgen. Voor Keizer moet de elite van Friesland verbonden zijn met het gewest. Dit betekent zowel respect voor de Friese cultuur als handelen in het belang van de welvaart en het welzijn van Friesland. Deze thematiek vormde eerder een element in de dissertatie van Keizer over externe controle van de Friese industrie waarop hij in 1985 promoveerde. [3]

***

Om welvarend te blijven, moet Friesland een positie veroveren in het mondiaal economisch systeem, zonder dat het ‘Frysk eigene’ verloren gaat. Hiervoor zijn bestuurders nodig die over de grenzen heen kijken en tegelijkertijd oog hebben voor de specifieke behoeften en belangen van de Friese bevolking. De gespannen relatie tussen sociaaleconomische ontwikkeling en de Friese identiteit is meerdere malen onderwerp van discussie geweest. Een goed voorbeeld is het proefschrift van econoom Jan Herbert Zoon (1923-2016) die in 1969 promoveerde op de industrialisatie van Friesland.[4] Zoon was gevoelig voor de culturele context in Friesland en bestede uitgebreid aandacht aan het ‘Frysk eigene’, opvallend voor iemand die opgroeide en studeerde in Rotterdam. Zijn ruime ervaring met het sociaaleconomisch verkeer in Friesland door zijn positie bij het Economisch Technologisch Instituut Friesland (ETIF), waar hij tussen 1960 en 1984 werkte als adjunct-directeur en directeur, heeft hier hoogstwaarschijnlijk aan bijgedragen.

In de jaren 1950 en 1960 was het vooral de door industriepolitiek gestimuleerde industrialisatie van Friesland die voor onrust zorgde. Uit het proefschrift van Zoon valt te destilleren dat drie ontwikkelingen in deze periode met argusogen werden bekeken. Allereerst beschadigde de opkomende industrie het agrarische karakter van het gewest en de levensstijl die daarmee samenhing. Ten tweede werd de onevenwichtige ontwikkeling tussen kernen -dat wil zeggen de toenemende concentratie van inwoners, werkgelegenheid en voorzieningen- schadelijk geacht voor de ruimtelijke harmonie in de provincie. Tot slot waren de toenemende invloeden van buiten, met name bedrijfsmigratie en de toestroom van industriearbeiders, een bedreiging voor de Friese culturele identiteit. Was het Fries als voertaal wel geschikt in grote industriële ondernemingen met Hollanders aan het roer en technisch jargon op de werkvloer?

In de jaren 1970 kwam daar een vierde probleem bij. Als onderdeel van de ellenlange voorbereiding van het Streekplan Friesland (1982), waarvoor tussen 1974 en 1982 een eindeloze reeks nota’s en reactienota’s verscheen, werd het rapport Recreëren (1977) voorgelegd aan een breed scala van organisaties in Friesland. De totstandkoming en reacties op het Streekplan, inclusief de nota Recreëren, worden in het proefschrift van afdelingshoofd planologie Maarten Jan de Jong uiteengezet.[5] Opvallend is hoezeer men de opkomst van toerisme als een last ervoer. In de nota lag de nadruk op de negatieve sociaal-culturele en ecologische impact van toerisme. Illustratief hiervoor is het volgende citaat:

‘De recreatie heeft in Friesland thans zodanige vormen aangenomen dat de vraag kan worden gesteld in hoeverre de recreatieve ontwikkeling, samen met de industrialisatie en modernisering van de landbouw, het eigene van Friesland, juist hier zo positief gewaardeerd, heeft overschaduwd en teruggedrongen.’[6]

Door Friese dagrecreanten voorrang te verlenen en door bescherming van het eigen karakter van Friesland boven de economische opbrengsten te plaatsen moest verdere intensivering van toerisme worden voorkomen. De planologen stelden twee alternatieven voor het streekplan op om voor te leggen aan overheden en het maatschappelijk middenveld. In het ene alternatief werd stevig ingezet op economische groei terwijl in het andere vooral het ‘Frysk eigene’ behouden moest blijven door kleinschalige ontwikkeling.[7] Uiteindelijk werd vooral voor het laatste alternatief gekozen.

De jaren 1970 werden gekenmerkt door een drang naar planologische kennis en controle. De grondigheid en precisie waarmee planologen zoals de Jong, zowel academisch als beleidsmatig, te werk gingen, is ontzagwekkend. Hoeveel invloed deze beleidskaders uiteindelijk hadden op de daadwerkelijke ruimtelijke ontwikkeling is lastig vast te stellen. Bovendien is behoud van het ‘Frysk eigene’ onderhevig aan dezelfde natuurwetten als iedere maatschappelijke behoefte: wanneer de ene behoefte bevredigd is dan dient de andere zich aan. Wellicht werd het unieke van Friesland niet zozeer door modernisering bedreigd, maar werd het behoud ervan een van de talrijke welzijnscriteria waaraan de moderne welvaartstaat moest voldoen.

Tijdens de periode van ‘nieuwe zakelijkheid’ (1982-1994) onder Ruud Lubbers moest welzijn in toenemende mate wijken voor het herstel van welvaart. Door economische stagnatie werd het financiële draagvlak voor vergaand welzijnsbeleid en complexe ordening sterk uitgehold. Net zo belangrijk was het verminderde vertrouwen in het vermogen van de overheid om zorg te dragen voor alle uiteenlopende behoeften die in de maatschappij leven. In plaats daarvan kwam een heroriëntering op de markt en werd dynamiek verwacht van ondernemers die de ruimte kregen om technisch en organisatorisch te vernieuwen. In deze periode moest het ‘Frysk eigene’ zichzelf dienstbaar opstellen ten behoeve van de economische vitaliteit van de provincie, die door schrikbarend hoge werkloosheidscijfers weer bovenaan de prioriteitenlijst werd gezet. Hier keren we terug naar het relaas van Keizer. Hoewel hij weinig systematisch de geschiedenis van de Friese economische politiek behandelt, biedt zijn werk wel een kijkje in de achterkamers van de Friese elite. In de jaren 1980 werden volgens Keizer de belangrijkste deals gesloten op het water, tijdens een zeiltocht met het Statenjacht Friso. De toenmalige Commissaris van de Koningin Hans Wiegel was bijzonder vaardig in het etaleren van Friesland ten bate van de politieke lobby en het bedrijfsleven.

Tegelijkertijd lijkt de tegenstelling tussen economische dynamiek en regionale eigenheid weg te vallen. Concurrerend vermogen en regionale verscheidenheid staan in het huidige debat niet op gespannen voet. Het tegendeel is het geval, de toegevoegde waarde van streekeigen producten en diensten zijn groot en opbrengsten blijven beter behouden voor de regionale economie. Vanaf de jaren 1990 worden (regionale) cultuur en economie als een elkaar versterkend geheel gezien, onder meer onder invloed van Europese beleidsprogramma’s.[8] Daarnaast is ook het politieke kapitaal van de Friese cultuur herontdekt. Het is niet langer zo dat Friese tradities worden aangetast door maatschappelijke veranderingen, maar dat deze tradities weerbaarheid geven tegenover autonome ontwikkelingen zoals mondialisering en klimaatverandering. Zo wordt het Friese woord ‘mienskip’ veelvuldig gebruikt om een eigen invulling te geven aan de totstandkoming van de door Den Haag zo gewenste participatiesamenleving. Deze term staat centraal in de ‘Culturele Hoofdstad 2018’-bid, waarin de strijd tegen het water als de verbindende factor wordt gepresenteerd. Door deze strijd zou een hechte Friese gemeenschap zijn ontstaan die nog altijd krachtig genoeg is om iedere uitdaging in haar voordeel te beslechten.[9]

Bert Looper, directeur van Tresoar, merkt in een artikel over het historisch besef in Friesland terecht op dat Friese tradities vooral uitgedragen worden wanneer ze nuttig zijn voor het hier en nu. Hij schrijft hierover: ‘Cultuur is voor de economie, voor social engineering en sinds kort ook voor klimaatverandering’.[10] Dit staat in schril contrast met beleidsdiscussies in de jaren 1970. Destijds was men bereid om welvaart op te offeren voor behoud van het ‘Frysk eigene’. Dit impliceert dat de Friese cultuur volgens haar dragers een grote intrinsieke waarde had. Deze waarde wordt aangetast wanneer culturele diversiteit niet een doel op zich is maar een middel voor economische groei of sociale cohesie.

***

Dit betekent overigens niet dat intrinsieke waardering per definitie leidt tot diepere kennis. Wat Friezen met elkaar verbindt en wat Friezen onderscheidt van andere groepen moet ter discussie blijven staan. Wanneer overeenstemming ontstaat over de essentie van Friesland dan wordt identiteit een platitude, een cultureel stereotiep zonder enige waarde. Of het belang van een eigen identiteit strijdig of verenigbaar is met het streven naar welvaart, duurzaamheid of sociale cohesie moet evengoed ter discussie staan, alsook de uiteindelijke hiërarchie van belangen die tezamen een politiek program voor Friesland vormen.

Douwe Keizer schrijft dat hij altijd met volle inzet de Friese belangen verdedigd heeft. Hier verstaat hij vooral doelmatigheid en integriteit onder, kwaliteiten die bij veel van zijn collega’s zouden ontbreken Volgens Keizer waren veel bestuurders laf en dienden ze het eigenbelang. Ze wilden de ‘Friese klapstoeltjes’ voor het ‘Haagse pluche’ inruilen; voor de lokale achterban leken ze strijdbaar maar in Den Haag waren ze poeslief. Het boek staat vol lessen over goed bestuur. In een tijd waarin bestuurders om het minste en geringste onder vuur komen te liggen, is het verfrissend om een ander geluid te horen. Vaak wordt vergeten dat bestuurders verantwoordelijkheid nemen door hun reputatie aan projecten te verbinden waarvan de uitkomsten hoogst onzeker zijn.

Het grootste mankement in het verhaal van Keizer is dat hij weinig inzichtelijk maakt wat de ‘Friese belangen’ waren of zouden moeten zijn. Wat maakt het dat er voor Friesland een andersoortig beleid moet worden gevoerd dan in andere provincies? Kan Friesland hetzelfde welvaartsniveau als de Randstad bereiken zonder haar eigen karkater te verliezen? Deze vragen blijven onbeantwoord in een meer dan 450 pagina’s tellend boek waar wel ruimte is voor het bespreken van hobby’s en jeugdherinneringen in naoorlogs Leeuwarden. Keizer verzaakt een visie op de sociaaleconomische ontwikkeling van Friesland te formuleren en daarmee te oordelen over de politieke accenten die in de afgelopen halve eeuw gelegd zijn. Een gemiste kans in een verder vermakelijk boek.

 

Douwe P. Keizer
Er viel genoeg te beleven… Dwarse verhalen uit een tijd vol regelzucht
Leeuwarden: Friese Pers Boekerij, 2015
460 bladzijden
€24,49

 

[1] ‘De god van de Friesland Bank’ Leeuwarder Courant 28-11-2015; Bert de Jong, ‘Smullen met Douwe Keizer: Miljoenenfeestjes en labbekakken’. Fryslan1 24-11-2015. http://www.fryslan1.frl/2015/11/24/smullen-met-douwe-keizer-miljoenenfeestjes-en-pornofilms/

[2] Douwe P. Keizer, Er viel genoeg te beleven… Dwarse verhalen uit een tijd vol regelzucht. (Leeuwarden: Friese Pers Boekerij), 409.

[3] Douwe P. Keizer, Friese vrijheid in ondernemersland: Een studie naar de externe controle in de industrie. Assen: Van Gorcum, 1985.

[4] J.H. Zoon, Friesland Tussen Hoop en Vrees: Enige beschouwingen over de invloed van de industrialisatie gedurende de periode 1950-1964 op de Friese Welvaart. Drachten: Laverman, 1969.

[5] Maarten Jan de Jong, Idee- en consensusvorming in de ruimtelijke ordening : een sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de totstandkoming van het ‘streekplan Friesland 1982’. Wageningen, 1986.

[6] Provincie Friesland, Streekplan Friesland: Recreëren. (Leeuwarden: 1977), 179.

[7] ‘Economische groei of behoud van Fries eigene. Friesland staat voor keus: groeien of niet’ Nieuwsblad voor het Noorden 31-08-1978.

[8] Christopher Ray, “Culture, Intellectual Property and Territorial Rural Development,” Sociologia Ruralis 38, no. 1 (1998): 3–20.

[9] Leeuwarden-Ljouwert, Leeuwarden-Ljouwert´s application for

European Capital of Culture 2018: Iepen Mienskip. http://www.2018.nl/nl/downloads

[10] Bert Looper ‘Waarom de Friezen niet van geschiedenis houden’ Fries Dagblad 28-11-2014.

Oer Bart Hoogeboom

Bart Hoogeboom (1988) hat de ûndersyksmaster Modern History and International Relations folge oan de Ryksuniversiteit Grins en skreau syn skripsje oer regionaal ekonomysk belied yn Noardeast-Fryslân. Sûnt oktober is er promovendus oan de Fryske Akademy en de RuG. Hy docht histoarysk ferlykjend ûndersyk nei regionaal ekonomysk belied yn Noardeast-Fryslân, Waldviertel (Eastenryk) en Meetjesland (België).